Kerstmorgen 2016

Kerstavond 2016

Zondag 11 maart 2007 - Wie is de schuldige
Ds. Ignace Frénay
Oude preek, tevoorschijn gehaald n.a.v. het treinongeval in Winsum op 18 november 2016 >>>>> 

Zondag 16 oktober 2016
Ds.Ignace Frénay
In het jaar 2000, ergens in het voorjaar, kwam ik bij de Torenkerk een verdwaalde bewoner tegen van het Asielzoekerscentrum. Hij wilde graag bidden in de kerk en de zegen krijgen. Dat kon, en jarenlang hoorde hij tot de trouwe kerkgangers. Eerder al was hij bij een andere kerk hier in Winsum geweest, waar men hem zelfs per auto kwam ophalen, maar toen ik hem vroeg waarom hij dáár niet was gebleven, was zijn antwoord: die kerk staat verkeerd.>>>>>

Zondag 2 oktober 2016
Ds.Ignace Frénay
Gevechten zijn aan de orde van de dag, maar wanneer hebt u zelf voor het laatst gevochten? Ja, dat zal wel lang geleden zijn! Met een vriendje, of een buurjongen, tot degene die won bovenop lag, en je dwong om ‘genade, genade’ te roepen. En als dat er niet snel genoeg uit kwam, spierballen rollen, totdat je je had overgegeven. Maar een gevecht kun je ook in je eentje voeren: als je met jezelf overhoop ligt, of met God.>>>>>

Zondag 24 juli 2016
Ds.Ignace Frénay
Is dat eigenlijk wel bidden, wat Abraham doet? Nee, hij lijkt hier meer op een advocaat, een pleitredenaar. En God is de rechter-commissaris, de onderzoeker. Mooi toch eigenlijk dat in de Bijbel verhalen staan die God zo dichtbij brengen, zo dichtbij als Abraham, die niet voor niks de vader van alle gelovigen heet. >>>>>

(Over ditzelfde thema hield ik drie jaar geleden ook een preek)

Zondag 10 juli 2016
Ds. Ignace Frénay
Bij de opvoeding van je kind wordt er heel wat geleerd aan geboden en verboden: handjes wassen, met mes en vork eten, netjes een handje geven, een ander aankijken als je met hem praat, de poes niet aan z’n staart trekken. Deze regels en verboden worden allemaal opgeslagen in wat door Freud het super-ego wordt genoemd. Ze zijn vooral bedoeld om onze spontane neigingen de kop in te drukken. Want spontaan willen we juist al die dingen die niet mogen, of we willen juist niet wat moet. >>>>>

Zondag 19 juni 2016
Ds.Ignace Frénay
Wie bepaalt er wat hoort en wat niet hoort? Hoe ga je om met ruzies en conflicten? Ze kunnen een bron van ellende zijn, en degene die advies geeft wordt door de tegenpartij al snel in het kamp van de ander geplaatst. In de tijd van Jezus was het heel gewoon dat je dit soort kwesties voorlegde aan een Rabbi, en ook Jezus krijgt daar dus mee te maken. >>>>> 

Pasen 2016
Ds.Ignace Frénay
Vandaag vieren we dat Jezus is opgestaan! Het graf heeft hem niet kunnen tegenhouden, en Hij is de eerste die het nieuwe leven is binnengegaan, zoals dat ons allen eens te wachten staat. Maar ik moet u eerlijk zeggen: afgelopen dinsdag dacht ik: kunnen wij onder deze omstandigheden wel Pasen vieren? Feest van Opstanding, van nieuw leven? Meteen daarop dacht ik: JA! Juist nu moeten we Pasen vieren >>>>>

Preek 28 februari 2016 - God ziet de ellende
Ds.Ignace Frénay
Toen koning George V van Engeland in 1936 overleed werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon Edward. Dat werd geen succes, en toen was nummer twee aan de beurt, Albert, of Bertie zoals hij werd genoemd. Hij stond altijd in de schaduw van z’n oudste broer, was verlegen en onhandig, en – het ergste – hij stotterde verschrikkelijk. >>>>>

Preek 23 augustus 2015 - de afgrondelijke God
Ds. Ignace Frénay
Deze week (20 augustus) viel mij een artikel op in Trouw, een interview met als titel: "Geloven is voor haar verleden tijd." Foto erbij van een knappe vrouw, Inge Bosscha, die vertelt hoe ze haar geloof is kwijtgeraakt. Ze was streng opgevoed, er waren mannen in pak die haar vertelden hoe ze moest geloven, maar nu is ze, in haar eigen woorden: een afvallige >>>>>

Preek 9 augustus 2015 - Moeder en kind
Ds.Ignace Frénay
De schrijver van het bekende boekje 'De kleine prins' heeft ooit een opmerkelijke uitspraak gedaan: "Niets van wat je zelf overkomt is onverdraaglijk." En daarmee bedoelt hij dat ziekte, moeilijkheden die jouzelf overkomen, een ongeval, hoe lastig ook, toch altijd te dragen zijn. Kracht naar kruis heet dat. Maar wat wél onverdraaglijk is, is het leed dat iemand anders overkomt >>>>>

Preek 5 juli 2015 - Bij het afscheid van Gerwin Hoekstra als organist
Ds. Ignace Frénay
Naar muziek moet zelfs God luisteren! Want als Saul weer eens last heeft van een depressie, neemt David zijn lier en speelt voor hem. De kwade geest (van God!) liet hem dan voor even met rust. Zo kan dat ook ons vergaan: wanneer je moe bent, of je hebt het even helemaal gehad met alle verplichtingen, dan kan muziek je weer tot jezelf brengen.>>>>>

Preek 21 juni 2015 - Over Job
Ds.Ignace Frénay
In een gezin, vader, moeder en drie kinderen, die goed gelovig en kerkelijk zijn, zingt met name het tweede kind, een jongetje, graag Psalmen en hij spreekt vaak zijn verlangen uit Jezus te zien. Plotseling, op een dag, komt dat jongetje bij het spelen onder de auto en overlijdt aan zijn verwondingen. Het verdriet van de ouders is groot maar ze kunnen het verwerken. >>>>>

Preek zondag 17 mei 2015 
Ds. Ignace Frénay
Als in een gezin ook de laatste ouder overlijdt, dan ben je wees. Wij kennen dat woord vooral in combinatie met weeshuis en weeskinderen, maar ook als je 70 bent word je wees, als je je moeder verliest. Dat geeft een gevoel van verlatenheid: het centrum van het gezin is weg, de plek waar je allemaal nog samenkwam, de verjaardag van moeder, oma, overgrootoma waar je elkaar nog één keer per jaar zag. Wat overblijft >>>>>

Pasen 2015 - Centrumkerk
Ds. Ignace Frénay
Behalve een nieuwe kerk hebben we inmiddels ook een nieuw Kerkblad. Ik hoop dat u het gelezen hebt, en ook dat u alles gelezen hebt. Dan heeft u ongetwijfeld ook kennis genomen van het verhaal over de patroonheilige van de Torenkerk, de heilige Iracundus. Prachtige icoon erbij, en zijn belangrijkste wonder: hij heeft de Groningers aan het praten gekregen: groetten zij elkaar eerst alleen maar met een hoofdknikje, sinds Iracundus zéggen ze er zelfs iets bij: "Moi!" Dit nu werd door Rome als wonder erkend. >>>>>.

Preek over Naäman
Ds.Ignace Frénay -  15 februari 2015
Op de middelbare school zaten er in mijn klas twee meisjes, twee vriendinnen, die door de plaatselijke pestkop met een weinig complimenteuze bijnaam werd aangeduid: ze heetten: lelijk en extra-lelijk. In die tijd waren er nog geen anti-pestprogramma's, pesten hoorde er bij, en je had er maar mee te dealen. >>>>>

Preek over het boek Ester
Ds.Ignace Frénay - 1 februari 2015 >>>>>

Preek: Geroepen!
Ds.Ignace Frénay - 25 januari 2015
"Er klonken in die tijd zelden woorden van de HEER en er braken geen visioenen door. " Zo begint het verhaal van de roeping van Samuel. Het is zo'n 2500 jaar geleden geschreven, maar volgens mij geldt het nog steeds: "Er klinken in onze tijd zelden woorden van de HEER en er breken geen visioenen door. " Jammer? Of niet? Wij horen Gods stem toch niet? En áls Hij wél spreekt, hóe spreekt Hij dan? >>>>>

Preek: Heb je vijanden lief
Ds. Ignace Frénay - 18 januari 2015
"Heb je vijanden lief, en bid voor wie je vervolgen." Deze zin uit de Bergrede heeft mij de afgelopen tijd niet losgelaten; ik wil u wel zeggen dat ik ermee geworsteld heb. Want Jezus vraagt het van me, en ik kan het niet. Hoe kun je mensen liefhebben die anderen afslachten, en de veiligheid van een hele samenleving bedreigen? >>>>>

Preek Kerstmis 2014
Ds.Ignace Frenay, 25 december 2014
GOD IS BOOS. Het spijt me, vandaag heb ik geen gezellige kerstboodschap voor u. Die is voor straks, bij de kerststol en de koffie. Maar voor nu maak ik het mezelf, en u, niet makkelijk >>>>>

Preek Kerstnacht 2014 - Mensingeweer
Ds.Ignace Frenay, 24 december 2014
Ik mag graag naar de sterrenhemel kijken, hier kan dat nog, er is vrijwel volstrekte duisternis. Op 14 december 's avonds was er aan de westelijke hemel iets bijzonders te zien: vallende sterren, achter elkaar, de geminiden genoemd, omdat je ze kon zien in het sterrenbeeld Tweelingen. >>>>>

Preek bij doop en belijdenis van Majan 
Ds.Ignace Frenay, 21 december 2014 
Twee weken geleden begon ik de preek met de vraag of iemand van u wel eens tegen God had gepraat, en of hij ook wel eens had teruggepraat. Ik vroeg toen of u daarbij uw hand wilde opsteken. De reacties waren wat aarzelend, maar ik moet toegeven dat het ook wel een beetje gemeen van mij was om u zó voor het blok te zetten met een toch wel hele persoonlijke vraag >>>>>

Preek Eeuwigheidszondag 2014
Ds.Ignace Frenay, 23 november 2014
Van degenen wier namen wij straks noemen, ging een enkeling plotseling, de meesten na een lange ziekte. En ook al zag je het aankomen, de dood kwam altijd ontijdig. Een grimmige spelbreker is het, de dood. Hij breekt het leven, de liefde, de zorg, het samen-zijn, hij breekt óns. Wie net iemand verloren heeft, heeft z'n toekomst verloren. >>>>>

Preek: De wijze en de dwaze maagden
Ds.Ignace Frenay, 2 november 2014
In 1952 schreef de Franse schrijver Samuel Beckett een toneelstuk met de titel "Wachten op Godot". Het stuk behoort tot het zogenaamde 'nieuwe theater'; een verhaal zit er nauwelijks in, en voor zover het er in zit, ontbreekt de samen-hang, maar één ding is duidelijk: de twee hoofdpersonen doen niets anders dan wachten, wachten en nog eens wachten. We horen flarden van gesprekken, maar de leegte en de zinloosheid overheersen. De twee mannen wachten op Godot, maar wan-neer ze een afspraak hebben kunnen ze zich niet herinneren, ja eigenlijk weten ze niet eens óf ze wel een afspraak hebben. >>>>>

Preek Vredeszondag
Ds. Ignace Frénay, 21 september 2014
Terugkijkend op de grote vredesdemonstratie van 1981, viel me op hoeveel onvrede de demonstranten zelf in zich hadden. Ze demonstreerden voor vrede, ik stond daar zelf ook achter, maar het gebeurde vanuit een grote innerlijke onvrede met hoe het er in de wereld aan toe ging. In zekere zin is dat nog steeds zo: als ik 's morgens wakker word, is het meestal heel vredig in en om me heen, totdat ik de krant lees: dan word ik vervuld met onvrede en neem ik me voor om de volgende dag de krant te laten liggen tot het middaguur, als ik wat meer gewapend ben tegen alle ellende die op me afkomt. >>>>>

Preek 'Loslaten en verdergaan'
Ds. Ignace Frénay, 14 september 2014 
In de nasleep van de vliegramp boven de Oekraïne was er in Hilversum een herdenkingsdienst voor Erik van Heijningen, z'n vrouw Tina Mastenbroek en hun zoon Zeger; ze waren alle drie omgekomen. Zijn broer, Robbert van Heijningen, sprak in een overvolle Vituskerk, en zei: "We moeten kunnen vergeven, we moeten niet omzien in wrok." Als er iemand was die recht had boos te zijn, was hij het wel, maar hij zei: 'Niet doen. Doorbreek de barrière van woede, meer strijd, meer slachtoffers en meer pijn.' >>>>>

Preek "Houdt God van vrouwen?"
Ds. Ignace Frénay, 17 augustus 2014
Nee, het is geen vraag van mij, maar de titel van een documentaire die gaat over een vrouw uit Staphorst. Ze is lid van de SGP, maar omdat ze vrouw is, mag ze niet meepraten. Als u de documentaire nog niet gezien heeft: "Houdt God van Vrouwen?" en 'Het Vermoeden'
Ze heet Hilligje Kok-Bisschop, en het is indrukwekkend hoe een orthodox-gereformeerde vrouw opkomt voor het recht om gehoord te worden en te mogen meepraten. Wat voor ons al lang een vanzelfsprekende zaak is, is daar nauwelijks bespreekbaar; vrouwen mogen zingen in een koor, ze mogen dweilen en boenen, maar voor de rest dient zij haar mond te houden. >>>>> 

Preek 'Wat is Roeping en wat is Bekering'
Ds. Ignace Frénay, 26 januari 2014
Ik herinner me dat mijn hoofdonderwijzer onderscheid maakte tussen beroep en roeping. Een beroep, dat was timmerman, schoenmaker, postbode, en een roeping dat was priester, dokter, verpleegster, onderwijzer. Die laatste beroepen stonden natuurlijk véél hoger in aanzien, en moest je haast met een hoofdletter schrijven. Het verschil zat hem waarschijnlijk in de permanente beschikbaarheid, en in het hogere doel van: mensen dienen. >>>>>
 

Preek Driekoningen 'Gaan langs andere wegen'
Ds. Ignace Frénay, 5 januari 2014
Na deze dienst gaan we via een andere weg naar huis terug. Waarom? Om de sleur te doorbreken. Om te kijken of we dan ook iets anders zien, net als de Wijzen uit het Oosten.
Drie waren het er, volgens de traditie, drie, vanwege de drie geschenken. Ze komen uit onbekende streken, en zo verdwijnen ze ook weer. Passanten. Maar het licht hebben ze gezien! >>>>>
  

Kerstpreek Torenkerk 
ds. Ignace Frénay 25 december 2013 
Wat was mijn begin? En waar? Ja, een geboortedatum kun je noemen, de namen van je ouders, de plaats waar je geboren bent. Maar dat is allemaal informatie die we pas later in ons leven hebben gekregen. Maar onze eigen, eerste herinnering? Weet u wat dat was? >>>>>  

Steen voor steen – Een fabel die echt gebeurd is
Ds. Ignace Frénay, 6 oktober 2013
Er was een windhoos over Winsum getrokken, 's nachts. Niemand had er wat van gemerkt, maar de volgende dag was de Blauwe Zaal verdwenen, opgelost in het niets. De muren van de kerk waren blijven staan, nou ja, nog net, maar veel stenen waren door de windhoos overal in Winsum terecht gekomen. De volgende ochtend.....

Lees meer...

 

Onderstaand verhaal heb ik gehouden op Kerstavond in Mensingeweer, en – na een stemming (!) – ook op Kerstmorgen in Winsum
De preek die ik eigenlijk voor kerstmorgen had voorbereid: >>>>>

Lezen: Jesaja 9:1-6 en Lucas 2:1-20

De mensen in het dorp kenden hem wel – het was een zonderlinge oude man met kleppet en wandelstok die zich zelden buiten vertoonde. Meestal bleef hij opgesloten in zijn huisje, de gordijnen die in raggen voor het raam hingen waren bijna altijd dicht, en als ze open waren zag je hem zitten achter zijn verflenste geraniums. Eigenlijk was hij levensmoe, de kat was ook al dood, en daarom had hij z’n hoop gesteld op D66 - die verwezen hem naar een ‘levenseindebegeleider’, een prachtig woord, maar hij kon het alleen maar vinden op de site van D66, ze bestonden niet in het echt, alleen nog maar in het wetsontwerp van Pia Dijkstra. Had die vroeger trouwens niet het journaal gelezen? Geen wonder dat je dan dacht dat het leven voltooid was, als je zoveel ellende had moeten doorgeven. Ja, je had er misschien niet eens aan moeten beginnen. En… dan moest het ergste nog komen had hij wel eens gehoord.

Maar vanavond – hij wist niet eens waarom – was hij naar buiten gegaan, en wachtte op de bus bij de halte aan de Hoofdstraat, hij ging er nu toch maar eens op uit, op Kerstavond, naar de Preek van Freek in Winsum. Dat leek hem wel gepast, hoewel hij niet gelovig was. Hij keek eens om zich heen: er stonden geen fietsen in het fietsenrek, en de dromenvanger van Emma was een beetje vergaan. En ook was er geen verkeer op de anders zo drukke weg. Tja, iedereen zat natuurlijk thuis, gezellig bij de kerstboom en de centrale verwarming. Een uur ging voorbij, twee uur, hij zag vrolijke mensen over de Hoofdstraat naar de kerk trekken, De kerk? Nee dat was niks voor hem, hij had het helemaal gehad met het geloof, met de kerk, met het leven, kortom, met alles. Hij was zo iemand die overal naast greep – de oudste Wajonger in het land, maar daar kreeg je geen onderscheiding voor.

De bus van 20 voor 8 zou nu toch zo wel komen? Voor de Preek van Freek was hij nu te laat, maar komaan, dacht hij, dan reis ik toch gewoon door naar Groningen? Bij de Muurstraat schijnt het erg gezellig te zijn, laat ik eens gek doen en gewoon in de bus blijven zitten. Maar ook de bus van 20 voor 8 kwam niet. Orgelklanken kwamen uit de feestelijk verlichte kerk, en nu was er ook gezang te horen: Stille nacht, heilige nacht. Ja, stil was het – zeker, maar heilig?

Maar plotseling werd hij in z’n gemijmer gestoord: wat was dat? Daar kwam iemand op hem af – uit de richting waaruit de bus zou komen, een enorme gestalte, nog groter dan Jan Hink, en hoe dichter bij hij kwam, des te meer licht hij gaf. Vreemd. Het leek wel een engel. Ja - het wás een engel, dat voelde hij op z’n pantoffels aan. De engel keek hem vriendelijk aan: wacht je op de bus? Ehh, ja, al een paar uur. Nou dan kan je lang wachten zei die, want de bus stopt hier niet, dan moet je op de nieuwe rotonde zijn. De nieuwe rotonde? Er was hem iets ontgaan zeker.

Ga maar mee, zei de engel, je bent nou toch te laat voor Freek, en de Muurstraat is inmiddels gesloten. Hoe wist hij dat nou toch allemaal? Ga maar mee, we gaan naar die ster daar. Zie je hem? Daar staat ie: bovenop de hoogste wiek van de molen. En de engel voerde de oude man mee naar de trans van de molen.

Het was alsof hij zweefde, en op de trans aangekomen wees de engel hem zijn huisje aan. Daar zit jij de hele dag te sippen hè? Ook dat wist hij dus. Maar kijk eens, dáár – in dat huis – daar woont iemand die net haar man verloren heeft, en iets verderop – zie je het – bij die schuur, daar woont een jongen die z’n vader mist, en hier – vlakbij – ligt iemand op bed die ernstig ziek is, en daar, daar woont een meisje dat met een geheim leeft wat ze aan niemand durft te vertellen. Ze is nog jong, maar van haar hoeft het allemaal niet meer. En daar, bij dat dakraam, daar woont een jongen die een heel slecht rapport had, en die zich grote zorgen maakt.

De man keek, naar al die daken – ze leken allemaal op elkaar, maar daarbinnen woonden dus mensen die – net als hij – de last van het leven moesten dragen. Je moet, zei de engel, door de buitenkant heen kijken, naar binnen toe, naar wat zich onder de daken afspeelt, bij de mensen zelf. En dan zul je zien dat iedereen in hetzelfde schuitje zit – ze hebben allemaal hun eigen verhaal.

En er smolt iets in hem – hij wilde die mensen ontmoeten, z’n verhaal vertellen – hun verhaal horen. Ja dat kan wel – zei de engel daar boven op de trans van de molen, maar dan moet je ze wel opzoeken, en je niet opsluiten in je eigen huis. Weet je wat? Ik neem je mee naar die kerk daar, je bent misschien nog net op tijd voor de Preek van Frenay, het is geen Freek, maar hij doet het niet onaardig voor een amateur. En dan heb ik hier nog wat voor je: een hoge hoed met lichtjes – die heb je nodig om in elk mens God te zien.

Dat woordje God kun je misschien maar beter niet gebruiken - het roept zoveel misverstanden op nietwaar. Maar Hij is degene die je gemaakt heeft, je komt bij Hem vandaan – uit de hemel, en als je leven voltooid is, dan ga je daar ook weer heen, maar pas dan hè? Niet eerder! Het is in elk geval iemand die licht en kracht in ieder mens heeft gelegd, om het vol te houden, om dat licht en die kracht door te geven. Volwassenen vergeten dat meestal, maar kinderen niet. Die zijn gewoon vrolijk van nature, en zo geven ze hun vrolijkheid door Dat licht helpt je om dat kind in elk mens op het spoor te komen, ook in jou!

En de man ging de kerk in met de hoge hoed van de engel en vroeg aan de jongste die er was om de lichtjes uit te delen. De engel bleef buiten, er kwamen er meer bij, en nu was het net alsof de kerk niet alleen van binnen was verlicht, maar alsof de hemel zelf straalde. En iedereen werd verlicht, van binnen en van buiten, en iedereen geloofde – al was het maar even – dat dat licht het duister zou overwinnen.

Ds. Ignace Frénay

(deze preek heb ik niet tijdens de dienst gehouden - daar heb ik het verhaal verteld dat te vinden is onder Kerstavond)

Lezen:

Kerst - Huub Oosterhuis

Verschrikkelijk is de wereld.
Geen Jezus zal Aleppo redden
en zijn god
zwijgt zo diep in alle talen
dat het voelt alsof hij niet bestaat,
nooit heeft bestaan, niet kan, niet wil -
wat is er met mijn brein
dat ik hem steeds weer denk?

Er zal nooit, nergens
een begin van redding zijn
als niet ten minste één mens zegt
'hier ben ik'
en ziende om zich heen
zoekt of er nóg een is, nog twee of drie
met vonken licht 'hier ben ik'
in hun ogen.

In diepe nacht - geen ster te zien
geen engelenzang te horen -
zullen zij gaan
om wat misschien nog kan,
te hopen valt,
te redden is
één vluchtkind kantje boord
voorgoed geboren.

Kerstmis is twee- of driemaal
niet te tellen naamloos velen
die 'hier ben ik' zijn
en doen wat moet gedaan.

en verder: Jesaja 8:23-9:6 en Lucas 2:1-12

Overweging

Herders en engelen komen we niet alle dagen tegen. Machthebbers en onderdrukkers wel. Mensen die met geweld van wapens of van woorden ons kwetsbare leven bedreigen, zodat we ons afvragen: kunnen we wel Kerstmis vieren? Kun je op tegen fundamentalisme, tegen bommen, tegen angst? En wat weten wij er eigenlijk van, wíj wonen niet in Aleppo. En zo’n verhaal, over engelen, over herders, ach, goed bedoeld, maar heeft het zin? De realiteit is toch zo anders. Jesaja noemt die realiteit al:

het juk dat op ons drukt,
de stok op onze schouder,
de zweep van de drijver.

Dat was toen, en het is nog steeds: we staan nog steeds onder druk van alles wat moet, van onszelf of van onze chef, we voelen de zwaarte van het leven,
en als we het zelf niet voelen, dan is er allicht iemand in onze omgeving die er slecht aan toe is, overspannen of depressief, het leven voltooid. Angst voor de toekomst, voor ons pensioen, voor ons huis dat ten prooi is aan aardbevingen of het hypotheekmonster, of de vraag: is er voor mij straks nog werk?

En temidden van die chaos wordt elk jaar weer dít verhaal verteld. Over een keizer, ver weg, die mensen wil tellen. En de mensen gaan. Ook Jozef en Maria. Maar dan breekt er een ander soort geschiedenis aan: de geschiedenis van God, die niet telt, maar vertelt, een verhaal. Een verhaal dat ons wegvoert uit de duisternis naar het licht, van de boze buitenwereld naar de wereld van het kind, dit kind, Jezus. Midden in de winternacht ging de hemel open. De herders deden hun eenvoudig werk, bij de schapen van anderen; maatschappelijk gezien stelden ze niet zoveel voor. En juist voor deze mensen gaat de hemel open, en wordt redding aangekondigd, in de vorm van een pasgeboren kind. Maar ja, eerst zien, en dan geloven nietwaar? En dus ze trekken op – naar de stad van David. Van het duister gaan ze naar het licht.

Kennen wij de stem van de engel? Ik denk het wel. Bij voorbeeld als antwoord op de vraag: hoe heb je het volgehouden? Hoe ben je staande gebleven, temidden van ziekte, ellende en dood, waar haalde je de kracht vandaan? En dan blijkt – terugkijkend – dat je kracht naar kruis kreeg, dat je op het juiste moment iemand ontmoette die je moed insprak, en waardoor je weer verder kon, een nieuw begin zag, ook al kreeg je geen antwoord op de vraag: waarom?

En dat nieuwe begin ontstond niet met geweld, niet door afbraak van het verleden, maar doordat er iets nieuws gaat groeien op de puinhopen van het verleden. En dat kleine beetje licht verlicht de totale duisternis. Wat zo mooi is: licht en duisternis staan niet als gelijkwaardig tegenover elkaar! Voor de deskundigen onder u: het is zelfs een ketterij – die van het Manicheisme Mani ging ervan uit dat er twee rijken waren: het rijk van het licht en het rijk van de duisternis. Die twee zijn met elkaar in strijd. En zo lijkt het natuurlijk ook vaak! Maar ze zíjn niet gelijkwaardig! In het licht kan ik geen duister doen ontstaan, omgekeerd wel! En dat gebeurt bij de geboorte van Jezus: daar breekt God in in de geschiedenis van de duisternis met zijn eigen licht – Jezus.

Nou moeten we niet net doen alsof er dan vervolgens geen duister meer bestaat, of geen strijd meer tussen duisternis en licht. Natuurijk: die is er nog steeds. Maar wie gelooft dat het licht overwint, en daarvoor hoef je alleen maar te kijken naar de eigenschappen van het licht, die laat zich er door het duister niet meer ónder krijgen, nee, voor hem is de duisternis eerder iets dat het enige antwoord op het kwade is: het goede doen. Zo iemand gelooft in Gods wijsheid die dwaasheid is voor de wereld, die gelooft in engelen, eerder dan in de oneliners van wie het zo goed weet. Het is niet voor niks dat we zingen:

Als alles duister is,
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft.

of met Ede Staal:

't Het nog nooit, nog nooit zo donker west
Of 't wer altied wel weer licht

Als dat niet zo was, dan zou het donker ook allang overwonnen hebben, maar dat hééft het niet. Het steekt wel telkens weer de kop op, want het is een veelkoppig monster dat om oplettendheid vraagt en maatregelen, natuurlijk. Maar het is verleidelijk om de gelijke wapens op te nemen die het kwaad gebruikt: wapens tegen wapens, geschreeuw tegen geschreeuw, terreur tegen terreur. Maar de wapens van het licht zijn van een andere orde dan de wapens van het duister: zoals Paulus schrijft aan de Efeziërs:

“Pak daarom de wapens die God jullie geeft.
Dan kunnen jullie je verdedigen tegen de duivel
op de dag dat hij aanvalt.
En dan zullen jullie zijn aanval laten mislukken.
Jullie moeten klaarstaan voor de strijd, net als soldaten.
Maar dit is de manier waarop jullie moeten vechten:
Spreek altijd de waarheid, en doe altijd het goede.
Breng aan iedereen het goede nieuws van de vrede.
En houd altijd vast aan het geloof.
Want je geloof beschermt je als een schild
tegen de brandende pijlen die de duivel op je afschiet.
Vertrouw erop dat God je zal redden,
want dat vertrouwen beschermt je als een helm.
En de boodschap van Gód is je zwaard.
De heilige Geest zal je helpen
om die boodschap kracht te geven.”

Dat is nog eens andere koek dan de wraakzuchtige taal die onze samenleving vergiftigt. Hier wordt vriendelijkheid geplaatst tegenover haat, vredelievendheid tegenover agressie, zwijgen tegenover geschreeuw. Dát is Kerst, en dat vereist een grote standvastigheid en een groot geloof. Het vraagt moed om Kerst te vieren, om de boodschap van vrede gestalte te geven in ons eigen leven en dat van anderen. Juist omdat we de ander niet met gelijke munt terugbetalen, maar zélf de eerste stap zetten, de andere wang toekeren en dergelijke dwaasheden meer, dwars tegen de gewone gang van zaken in.

Ik eindig met een bewerking van psalm 14.

Nu eens die
dan weer een ander denkt:
God bestaat niet...

Als je hoort van zoveel pijn
leest over de mens als beest
ziet hoe een ziekte je kind ondermijnt
ervaart hoe hemel tot hel kan worden .
denkt nu eens die
dan weer een ander:
God bestaat niet...

God vanuit zijn hemel speurt
of er nog iemand is
die in Hem gelooft
en Hij stelt vast
in feite denken alle mensen:
God bestaat niet...

Elk mens heeft zijn verdriet
depressie en treurigheid
elk mens glijdt uit
en breekt stuk op het leven
elk mens voelt zich bedreigd
en bedrogen
elk mens stelt vast: God bestaat niet...
Want het is niet eerlijk
het is niet billijk
het is niet zuiver
het is niet goed
dat leven.

En wie heeft ooit gevraagd
te mogen leven?

Als er een God zou zijn
zou het leven niet zo
kunnen zijn als het is.

Geruisloos komt God uit zijn hemel
Stil gaat Hij het leven binnen
stil gaat Hij jouw leven binnen...

Zonder dat iemand Hem bemerkt
beweegt Hij zich door een mensenleven
en zet recht
zet recht wat scheef dreigt te gaan
tilt op wat gevallen is
brengt op een idee wie niet meer weet
hoe het moet.

God bestaat niet,..
Hij is
aan het rechtzetten.

Voel je Hem niet
grijp even achter je
daar merk je een beweging
- hoe bestaat het -
daar staat Hij.

Psalm 14 – (bewerking: Harry Faber van der Meulen)

Ds. Ignace Frénay

Lezen: Genesis 18:20-33 en Lucas 11,1-13

Als je vroeger priester wilde worden, waren de opleidingen er al vroeg bij. Zo ging je als jongetje van twaalf al naar het klein-seminarie. Moederziel alleen, ver van huis, haard en vrienden, moest je je maar zien te redden in een wildvreemde omgeving. Een van die jongetjes waagde het om in de tuin een pater aan te spreken die in z’n gebedenboek aan het lezen was. “Stil! Ik bid!”- snauwde deze hem toe. Nou, als dat bidden is, dacht hij, dan maar geen priester.

Want hoewel bidden inderdaad de stilte nodig heeft, past een bestraffende toon totaal niet bij de innerlijke houding die het gebed vraagt. We hebben het daar vorige week al over gehad: over de innerlijke ruimte die je in jezelf kunt maken door het gebed. Het stil gebed, daar ging het toen om, als tegenwicht tegen drukte en activisme. “Het beste deel” koos Maria, omdat het gebed iets is wat altijd beschikbaar is, je tot je centrum brengt, tot God. Door de innerlijke stilte geef je God de kans om tot je te spreken.

Maar het gebed heeft meer kanten: zo heeft ieder mens het nodig zichzelf uit te spreken, woorden te geven aan z’n nood, z’n verlangen. En dat is nog niet zo eenvoudig. Vandaar dat de leerlingen van Jezus vragen: Heer, leer ons bidden zoals ook Johannes zijn leerlingen heeft geleerd.

Waar staat dit hoofdstuk? Wat gaat eraan vooraf, en wat volgt er? Lucas beschrijft het levensverhaal van Jezus als een opgang naar Jeruzalem. Zijn evangelie is een reisverhaal. Maar hier wordt de reis even onderbroken. Op deze plek, waar het over het gebed gaat, staat Jezus stil, en gaat in op de vraag van z’n leerlingen. “Heer, leer ons bidden.” Konden ze dat dan niet?

Natuurlijk wel, maar ze wilden leren bidden zoals Johannes dat had gedaan. Johannes was de voorloper van Jezus, en in zijn boodschap stond de komst van het Koninkrijk centraal. En wat blijkt: ook in het gebed dat wij kennen als het Onze Vader (volgens de versie van Matteus) gaat het om dat Koninkrijk.

Om meteen maar een wijd verbreid misverstand te noemen: het gaat dus niet om het indienen van een wensenlijstje, ook al zijn er kerken, vooral in Amerika, die dat juist wél propageren. Zo zeggen ze bijvoorbeeld dat je niet alleen moet bidden om een auto, nee, je moet er meteen ook het merk en het typenummer bij noemen. Dat scheelt God een hoop gezoek.

Wie dat doet maakt van God een soort Sinterklaas. Opmerkelijk in de verhalen van vandaag is juist dat het gebed niet gericht is op het eigen heil maar op dat van een ander. Abraham bidt niet voor zichzelf, maar voor Sodom. Zelfs als er maar tien rechtvaardigen over zijn, zal God de stad niet vernietigen. God houdt dus rekening met de gerechtigheid van de stad, Hij kan zijn oordeel opschorten en aanpassen. Jammer dat zelfs die tien er niet te vinden zijn, het aantal dat nodig is om een dienst te houden.

Wat God op Sodom tegen heeft, is de manier waarop met gasten en met vreemdelingen wordt omgegaan. En zoiets moet met wortel en tak worden uitgeroeid, daar mag je zelfs niet naar terugkijken, zoals de vrouw van Lot later merkt. Abraham neemt het op voor de stad; hij ziet nog kansen, hij ziet nog mensen – hoe weinig ook – die een wending zouden kunnen geven aan het noodlot. Helaas, ze zijn er niet, en God straft de stad.

Nu kunnen wij daar nog maar moeilijk mee overweg, met een straffende God, maar wat in het Oude Testament ‘straf van God’ wordt genoemd, is in feite niets anders dan de consequentie van het eigen wangedrag. Het kwaad straft zichzelf, zo simpel is het.

En in het evangelieverhaal legt Jezus uit wat bidden is aan de hand van een heel simpel voorbeeld: iemand heeft brood nodig voor een onverwachte gast. Ook hier wordt uitgelegd wat bidden is: je vraagt iets voor een ander. Als iedereen dat zou doen, dan hoefden we niet eens meer voor onszelf te bidden. Dan zou het Koninkrijk van God zichtbaar worden in de manier waarop we elkaar het leven gunnen. Op de manier van vrienden, en zoals God zich een vriend toont. Niet voor niets gebruikt Jezus juist dat beeld als hij uitlegt wat gebed is. Ik ga nu wat meer in detail in op dat gebed, op het Onze Vader, ook al staat ‘onze’ alleen bij Matteus.

Gods naam moet worden geheiligd. Wat betekent dat? Dat betekent dat er niets of niemand boven God gesteld mag worden: geen macht, geen geld of goed, geen bezit of belang. Wie God boven alles stelt, krijgt ongetwijfeld ruzie met machthebbers die zichzelf het belangrijkst vinden, die als een god vereerd willen worden, zoals dat het geval was met de keizers in het Romeinse rijk. Wie daar niet aan meedeed, werd vervolgd. ‘Gods naam heiligen’ betekent bij Lucas daarom hetzelfde als: getuigen van je geloof, martelaar zijn.

úw Koninkrijk kome úw Koninkrijk, dat is deze aarde zoals God die in gedachten had vanaf den beginne: een plek voor iedereen, van vrede, van geluk. Wie voor dát Koninkrijk bidt, is daarmee zelf al bewoner van dat Koninkrijk geworden, verplicht zich tot leven alsof het al zover is.

De rest van het gebed laat dan zien hoe het Koninkrijk er uit ziet:

- dat er brood is van dag tot dag, kortom: dat we ons geen zorgen maken voor wat verder weg ligt dan de volgende dag. Aan Gods hand redden we het wel.

- verder: dat wie schulden hebben weer een nieuwe kans krijgen, makkelijk gezegd in het algemeen, maar stel dat je een pedofiele broer hebt, moet je dan de familiebanden verbreken? Leest u Trouw van gisteren, waarin die vraag aan de orde komt.

Dan komt het dichtbij. Hoe ga je om met ex-gevangenen, met mensen die door eigen schuld een puinhoop van hun bestaan hebben gemaakt?

En toch: zoals wij met die mensen omgaan, zo gaat God met ons om. Zoals wij vergeven, - dat is: een nieuwe kans geven, - zo vergeeft God ons, elke dag weer. Wie zo leeft, heeft begrepen hoe dat Koninkrijk van God er uitziet.

- En dan nog dat vreemde zinnetje: breng ons niet in beproeving. Betekent dat dat God er de oorzaak van is dat wij beproefd worden? Dat gaat er bij mij niet in. Ik leg het maar zo uit: als wij leven vanuit de nieuwgeboden kans, laat ons dan vooral niet omzien naar wat geweest is, laat ons standvastig zijn in die nieuwe houding die wij leren door zo te bidden.

Het Onze Vader is dus, hoe kort ook, een complete handleiding voor het Koninkrijk, het is de bril waardoor wij de nieuwe werkelijkheid zien die al tevoorschijn komt in het oude. Onze gewone bril is daarvoor ongeschikt, die laat ons meestal niet verder kijken dan onze eigen neus lang is. Ik eindig daarom met een gedichtje, dat ik vanaf deze plek al vaker heb gelezen,

Ik vroeg om Kracht... en ontving moeilijkheden om me sterk te maken.
Ik vroeg om Wijsheid... en ik kreeg problemen om op te lossen.
Ik vroeg om Moed.... En ik kreeg obstakels om te overwinnen.
Ik vroeg om Liefde... En ik kreeg mensen op mijn weg die ik kon helpen.
Ik vroeg om Gunsten... En ik ontving kansen.
Ik kreeg Niets wat ik wilde... Maar ik ontving ALLES wat ik nodig had.

Lezen: Genesis 18:20-33 en Lucas 11,1-13

Is dat eigenlijk wel bidden, wat Abraham doet? Nee, hij lijkt hier meer op een advocaat, een pleitredenaar. En God is de rechter-commissaris, de onderzoeker. Mooi toch eigenlijk dat in de Bijbel verhalen staan die God zo dichtbij brengen, zo dichtbij als Abraham, die niet voor niks de vader van alle gelovigen heet. Is dat omdat Abraham zo’n supergelovige was? Iemand die geen twijfel kent, geen vragen? Nee, dan kijken we met een te moderne bril naar dit verhaal. Abraham was bovenal: de rechtvaardige, de tsaddik. Iemand die z’n eigen belangen opzij heeft gezet voor de zaak van God. Hier, in het verhaal over Sodom en Gomorra, dwingt Abraham God om stil te staan bij wat rechtvaardig is: eerst is God aan het woord:

Dan zegt de Ene: het schreeuwen uit Sodom en Gomorra is overvloedig en hun zonde zwaar, bovenmate, laat ik toch neerdalen en zien: het geschreeuw uit haar dat tot mij is gekomen,hebben ze het gedaan, alles daar, of niet,- ik wil het weten!

Wat was dat geschreeuw dat tot God kwam? Wat was de zonde van Sodom? Volgens de rabbijnen wordt met het geschreeuw bedoeld: het schreeuwen van een meisje, zij had in haar waterkruik eten gesmokkeld voor de armen. Hierom veroordeelden de bewoners het meisje tot de marteldood. Ingesmeerd met honing werd zij opgegeten door de mieren. En haar geschreeuw was volgens de joodse uitleggers het schreeuwen dat opklonk uit deze steden… en dat door de Eeuwige werd gehoord.In Sodom en Gomorra heerste de wet van het ieder voor zich, en werd met name de wet van de gastvrijheid met voeten getreden. 

Is dat niet gewoon ook onze wereld – waarin dag in dag uit mensen worden gemarteld en gedood en zelfs een jongen van 12 jaar wordt onthoofd? Geen wonder dat God er genoeg van heeft; dat hebben wij toch ook? Dat is toch niet een wereld waarin wij willen leven? Geen wonder dat steeds meer mensen zich afsluiten voor het nieuws, de TV laten voor wat hij is, en in de strip van Trouw iedereen naar een nieuwsvrije camping gaat, zonder meningen en zonder politiek.

Dat had Abraham ook kunnen doen: zich afkeren van die door en door slechte wereld. Dat had God ook kunnen doen, en een keer hééft ie het gedaan, door de boel onder water te laten lopen, zo teleurgesteld en boos was hij over wat de mensen ervan gemaakt hadden, of liever gezegd: over wat ze er niet van gemaakt hadden. Maar Hij kreeg er spijt van, en zou het nooit meer doen. In Noach sloot Hij een verbond, en gaf als teken daarvan de regenboog.

Dat betekende niet dat het vanaf toen allemaal koek en ei was – nee: de vrije wil van mens brengt hem tot de afgrond. Maar Abraham gaat nu tussen God en die afgrond in staan, en als een ouwe sjacheraar eens zien tot hoever hij kan gaan. Vijftig, vijftig min 5, 45, 30, 20, 10. Dat is toch wel het minimum wat nodig is. En elke keer zegt God: omwille van die rechtvaardigen zal ik de stad niet vernietigen. En het verhaal zegt ons eigenlijk: God ziet – ondanks die overmacht aan kwaad – het goede, hoe klein dat ook is. Dat heet gerechtigheid: het goede zien, hoe weinig het ook is. Daarom heet Abraham de Vader van alle gelovigen: omdat hij God bij de les houdt, en omdat hij het vertrouwen heeft dat Gods beslissing goed is.

We kunnen dit toepassen op de wereld om ons heen en op onszelf: als wijzelf vinden dat ons leven mislukt is, zal God altijd nog iets vinden dat goed is, en als wij de wereld mislukt vinden ziet God altijd nog hoop voor de toekomst. Anders had Hij z’n zoon niet naar ons gezonden. Jezus, de rechtvaardige bij uitstek. Zoals Johannes zegt:

God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om door Hem de wereld te redden. (Jh 3,17)

Wie zijn wij dan om de wereld, of onszelf te veroordelen...

En zo kom ik op Jezus, en hoe wij moeten bidden. Dan klinkt het Onze Vader, korter dan bij Mattheus, en daarom nog meer tot de kern teruggebracht. Maar eerst wat het gebed NIET is: het is géén verplicht nummer, en het is al helemaal geen verlanglijstje. Bidden is iets wat ons zet op het spoor van Abraham, de vader van alle gelovigen.

Het is, in mijn woorden: onderweg zijn, op weg naar Gods nieuwe wereld, en daarvoor stáán. Het is: kijken met Gods ogen naar de wereld en naar ons eigen leven, het goede zien, het goede doen, hoe weinig we er soms ook van bakken. Vallen en opstaan, en steeds opnieuw beginnen. Bidden is: dat we ons dat steeds voor ogen houden. dat we telkens weer de bril zoeken waarmee we Gods Rijk kunnen zien. Wie die bril opzet zal zíen dat het al begonnen is.

En nu kijk ik wat nauwkeuriger naar dat gebed:

1. “Laat uw naam geheiligd worden.” Dat is een vaste uitdrukking in de joodse traditie, die – schrik niet, betekent: martelaarschap. Dat is niet alleen: lijden of sterven voor het geloof, maar bovenal: getuige zijn van het geloof: getuigen niet door met sandwichborden door de stad te lopen, of te pas en te onpas met mensen over het geloof praten, nee, het is: gerechtigheid doen, in de betekenis waarin ik het net heb uitgelegd: het goede zien temidden van het kwade, en het goede doen als antwoord op het kwade. Dát is: Gods naam heiligen. Daar tegenover staat het ontwijden van Gods naam: dat doe je wanneer je met je mond vrome praatjes verkondigt, maar er niet naar leeft. Hou dan maar liever je mond, en getuig met je leven. Gods naam wordt ontwijd waar mensen lijden door anderen: waar mensen worden gekleineerd en genegeerd, vooral wanneer dat in de kerk gebeurt.

2. Het tweede onderdeel van dit gebed gaat over onszelf: “Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben.” Dagelijks, niet voor de rest van ons leven, of zelfs maar de rest van de week, nee, geef ons brood, geef ons kracht, om deze dag door te komen. Wie depressief is, of iets heeft meegemaakt waardoor z’n leven op z’n kop staat, wordt ’s morgens vaak wakker met de gedachte: hoe kom ik de dag door. En ’s avonds blijkt vaak dat je de dag tóch bent doorgekomen. Het is goed om dan dankbaar te zijn voor die éne dag dat je het weer gered hebt, en je af te vragen: wat was het nou dat mij die kracht gaf? Zo word je gebed verhoord.

3. “Vergeef ons onze zonden want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is.” Dit deel van het gebed gaat over de gemeenschap waarin in wij leven; over hoe je met elkaar omgaat, en telkens weer een nieuw begin kunt maken. Moeilijk! Want soms liggen dingen ons zwaar op de maag, willen we wel vergeven, maar kunnen niet vergeten, en voelen ons dan ook nog eens schuldig als dat niet lukt. Ik noem dat altijd maar de losse eindjes van ons leven, de dingen die niet af zijn, niet uitgesproken, niet vereffend. Zoals de dichter zegt:

Wat ik gewild heb
wat ik gedaan heb
wat mij gedaan werd
wat ik misdaan heb

Wat ongezegd bleef
wat onverzoend bleef
wat niet gekend werd
wat ongebruikt bleef

Al het beschamende,
neem het van mij.
en dat ik dit was en geen ander.
Dit was mijn liefde.
Dit ben ik.

Wie dat kan zeggen, vergeeft daarmee ook zichzelf, laat de hoge eisen los die hem soms z’n leven lang op z’n nek hebben gezeten: Dit was het, dit ben ik. En de rest? Ik leg het in uw hand. Met de woorden van de psalmist:

Leg uw leven de Heer in de hand, bouw op hem: hij zal het volvoeren. (Ps.37:5 Vert.Ida Gerhardt)

4. En zo kom ik op het laatste: "Breng ons niet in beproeving" Nou, dat betekent heel simpel: Volhouden, en je niet van de wijs laten brengen.

Er valt nog veel meer over het gebed te zeggen1, maar voor vandaag laat ik het hierbij. Ik wens u, mij, ons allen toe, dat wij op de juiste manier leren bidden. Omdat wij alleen zó Gods nieuwe wereld zullen zien. 

Ds.Ignace Frénay

1 Over ditzelfde thema hield ik drie jaar geleden ook een preek

 

 

Lezen: Jesaja 51,9-11, Kolossenzen 3,1-4 en Johannes 20,1-18

We vieren dat Jezus is opgestaan! Het graf heeft hem niet kunnen tegenhouden, en Hij is de eerste die het nieuwe leven is binnengegaan, zoals dat ons allen eens te wachten staat. Maar ik moet u eerlijk zeggen: afgelopen dinsdag dacht ik: kunnen wij onder deze omstandigheden wel Pasen vieren? Feest van Opstanding, van nieuw leven? Meteen daarop dacht ik: JA! Juist nu moeten we Pasen vieren, zoals dat al duizenden jaren gebeurt, als teken dat we ons níet laten gijzelen door angst, maar het monster van de terreur in z’n gezicht uitlachen. Pasen is Uittocht – wég uit het land van angst, wég uit land waar we vastgeroest zitten aan slavenwerk en onderdrukking. Pasen is het feest van de vrijheid - tegen de verdrukking in.

In Brussel begon Goede Vrijdag deze week op dinsdag. En voor wie het slachtoffer waren is die zwarte dag nog niet voorbij. We waren er tot voor kort aan gewend dat lijden iets individueels was, ziekte, scheiding, een groot verdriet, en dat je de keuze had om daarmee naar buiten te komen of niet. Maar nu wordt lijden ook iets van het publieke domein, blinde agressie tegen toevallige passanten. Het kan iedereen overkomen. Dat maakt de angst voelbaar, het wantrouwen.

Natuurlijk zijn er die voor dit probleem pasklare oplossingen hebben, het liefst door anderen de schuld te geven omdat die te weinig gedaan hebben om het te voorkomen. Maar het kwaad is een veelkoppig monster, en als je het hier hebt bestreden, duikt het elders weer op, dood en verderf zaaiend. Het kwaad is het ontbreken van het goede, waardoor er iets ontstaat als een zwart gat. En net als een zwart gat zuigt het alles, zelfs het licht, op, en vergroot het de wanhoop. Zo ontneemt het je geloof in de toekomst. Er is geen beginnen aan, zo lijkt het, om het te bestrijden. We vermijden het dus.

En toch leeft er in elk van ons het diepe verlangen om verder te kijken dan angst, om het duister te verlichten, en om Pasen te vieren, voorbij Goede Vrijdag. Dat doen we – ongeacht wat er om ons heen gebeurt – al eeuwen lang. Dit verlangen alleen al is een wapen om het kwaad te overwinnen.
En het verhaal gaat dat tenminste één mens dat inderdaad gedaan heeft, níet door het kwaad te ontlopen, maar juist door het te ondergaan, en het zo – van binnenuit – te overwinnen: Jezus.

In de traditie van de kerk heet dat: hij is nedergedaald ter helle. De hel – dat is de plek waar God afwezig is, waar je door God en mens verlaten bent. Die leegte heeft Jezus – heeft God zelf ervaren. God door God verlaten. Het is de graankorrel die stierf in de aarde, en waar niks van overbleef, maar die op wonderlijke wijze nieuw leven voortbracht, en waar wij elke lente weer getuige van zijn. Juist doordat God hetzelfde lijden onderging als wij mensen, heeft Hij ons ervan bevrijdt. Als degenen die erbij is, en die zegt: “Ik weet wat je doormaakt, maar geloof me: dit lijden is het einde niet.”

Geloof me… Hoe doe je dat, geloven?Hoe geloof je als je leven beheerst wordt door angst en door wantrouwen, of doordat de oude antwoorden je geen troost meer bieden. Kun je het leren? Ja, je kunt het leren. En Johannes helpt ons daarbij.

Nou is leren en leren twee. En om het u meteen maar moeilijk te maken, maak ik even een omweg door het leren van het geloof te vergelijken met het leren van wiskunde. Nou was ik daar zelf heel slecht in, zo slecht dat ik in mijn eindexamenjaar nog bijles moest krijgen. En zo gebeurde het dat ik bijles wiskunde kreeg van een zeer gereformeerde en bijna-gepensioneerde docent van een naburige school. Ik weet niet meer over welk vraagstuk het ging, maar ik herinner me nog wel heel goed, hoe ik dankzij zijn eindeloze geduld ineens inzicht kreeg in hoe het in elkaar zat. “Goh, nu zie ik het!” – zei ik.

Waarop zijn reactie was: dat zeggen we niet hè! Ik begreep eerst helemaal niet wat hij bedoelde, maar ik had de uitroep “Goh” niet mogen gebruiken, omdat dat een bastaardvloek was. Maar veel interessanter was natuurlijk dat ik ineens zág hoe dat wiskundevraagstuk in elkaar zat: uren had ik er naar zitten turen, met rekensommen die uitkwamen op X=X, om wanhopig van te worden.

Maar inééns zag ik het! Lag dat nou aan mijn wiskundeleraar? Lag het aan mijn gezwoeg? Nee, ik had op dat moment heel duidelijk het gevoel dat dit inzicht ‘van de andere kant’ kwam, dat het in zekere zin om een hoger inzicht ging, waar ik nu plotseling getuige van was. En om Johan Cruijff dan toch maar te citeren: 'Je gaat het pas zien als je het doorhebt', Zo leerde ik. En zo kun je ook geloof leren. Dat begint – zoals ik al zei – met het verlangen dat het anders moet, met de diepe overtuiging dat het kwaad in al z’n facetten on-wezenlijk is, dat dit de bedoeling van het leven niet kan zijn. Dat verlangen is al een zaadje. Jezus had dat verlangen al in z’n leerlingen gezaaid, door wie hij was en hoe hij leefde: met mededogen voor ieder die op z’n weg kwam, door mensen te genezen, ze verder te helpen, door ze te zien en te aanvaarden. En uitgerekend hij ging dood! De goedheid, de onschuld zelf verraden, veroordeeld, gedood. Het verlangen van de leerlingen kreeg een knauw. En met Goede Vrijdag eindigde niet alleen zijn leven, maar ook hun hoop. Het werd donker om hen heen, het duister van het graf.

En in dat duister gaat Maria van Magdala naar het graf toe. Het is duister om haar heen, het is duister in haar zelf – ze is haar grote liefde kwijt, en in haar wanhoop houdt ze zich vast aan wat aan hem herinnert: een graf, een dood lichaam. En wat ze in eerste instantie ziet, en wat Petrus en Johannes zien, dat zijn de stille getuigen van iets wat ze niet kunnen plaatsen: een steen die is weggehaald, linnen doeken, de doek die zijn hoofd bedekte. Helpen deze materiële zaken om tot geloof te komen? Nou, nee, ze leiden tot een nog groter verlangen naar de dode: wisten we maar waar ze hem hebben neergelegd! Om er echt achter te komen wat er nou precies gebeurd is, moet je tot stilstand komen. In het begin van het verhaal doen de leerlingen niks anders dan heen en weer rennen, vlug, vlug!

Nee, wie holt, holt zichzelf voorbij, holt het mysterie voorbij. Heel anders is het tweede deel van het verhaal: Petrus en Johannes zijn weer terug naar huis gegaan, terug naar hoe het was, naar het oude en vertrouwde. Maar Maria is gebleven. Eindelijk komen haar emoties los, en krijgt ze iets te zien wat ze eerder niet zag: twee engelen, boodschappers van een andere werkelijkheid. Het lijkt Maria niet te verbazen. Maar nóg zit ze vast aan het verleden: Ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd. Ja, ze zit hier zó aan vast, ze herkent Jezus niet eens op het moment dat ze hem ziet – ze meent dat het de tuinman is. En ook hier, de herhaling van de vraag: “Als jij hem hebt weggenomen, zeg het me dan, dan kan ik hem laten halen.” En dan noemt Jezus haar naam: Maria!

En dan herkent ze hem, en kan ze de anderen gaan vertellen: Ik heb de Heer gezien. Alleen: deze Jezus – met zijn opgestane lichaam – kun je niet vastpakken, net zomin als wij het mysterie van het licht of van het leven kunnen vastpakken. Dan glipt het tussen je handen weg. Een mysterie is geen probleem dat je kunt oplossen: het is een andere werkelijkheid waarvoor je een andere bril moet opzetten, de bril van het geloof, van het vertrouwen, waardoor je inééns weet: Goh, nú zie ik het!

Die kennis gaat dieper dan de kennis van uiterlijke zaken, en uiteindelijk komt die ‘van de andere kant’. Maar ons verlangen zet ons al op het spoor van die andere manier van kijken; ons verlangen is al een begin van geloof, net als bij Maria van Magdala. Zij richtte zich uiteindelijk, met de woorden van Paulus, op wat boven is, niet op wat op aarde is. En wie dat doet, ervaart dat zijn leven mét Christus verborgen is in God. En wanneer Christus, ons leven, verschijnt, zullen ook wij, samen met hem, in luister verschijnen.

Ds. Ignace Frénay

Lezen: Prediker 2,1-11 en Lucas 12,13-21 (31)

Wie bepaalt er wat hoort en wat niet hoort? Hoe ga je om met ruzies en conflicten? Ze kunnen een bron van ellende zijn, en degene die advies geeft wordt door de tegenpartij al snel in het kamp van de ander geplaatst. In de tijd van Jezus was het heel gewoon dat je dit soort kwesties voorlegde aan een Rabbi, en ook Jezus krijgt daar dus mee te maken.

Ook elders bij Lucas lezen we over dit soort alledaagse kwesties, bijvoorbeeld in het verhaal dat Marta zich ergert aan haar zus: Marta deed het huishouden, en Maria luisterde naar Jezus. “Kunt u haar niet zeggen dat ze me komt helpen?” En dan blijkt dat niet de hardwerkende Marta, maar de luisterende Maria het beste deel heeft gekozen.

En vandaag is het een man die met een erfeniskwestie zit. “Zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met me moet delen.” En dan geeft Jezus een wat dubbelzinnig antwoord, namelijk: “Wie heeft mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?” Van de ene kant zegt hij: ik laat me niet voor jouw karretje spannen, van de andere kant zou je als lezer ook kunnen denken: Gód heeft hem als bemiddelaar en rechter aangesteld. De schrijver, Lucas, laat dat in het midden. En Jezus geeft verder helemaal geen antwoord op zijn vraag, hij gaat in op de hebzucht, op het ‘steeds meer’ willen hebben. Dat komt dichtbij, want het evangelie wordt akelig concreet als het om bezittingen gaat: verkoop wat je bezit en geef het aan de armen, en dat alles in navolging van Johannes de Doper die al eerder zei: “Wie twee hemden heeft, moet er een geven aan iemand die er geen heeft, en wie te eten heeft, laat die ook delen.”

En juist dat hele concrete, dat steekt, ook persoonlijk - omdat ik, vind ik, het heel goed heb, en dan heb ik het nog niet eens over mensen die zonder blikken of blozen miljoenen incasseren. Dat zijn bedragen waar ik me geen voorstelling van kan maken. Het roept het gevoel van onmacht op, verontwaardiging ook. Zet daarnaast de armoede – in de wereld, maar ook hier in Winsum en De Marne, en het gevoel dat de boel ontzettend scheef zit is compleet. Dat zou mij kunnen verleiden tot een donderpreek over hoe slecht het is om rijk te zijn, en dat u al uw geld aan de kerk moet geven, maar dat is me nou weer net te gemakkelijk, bovendien moet ik dat dan zelf ook doen, en als ik eerlijk ben: dat wil ik ook helemaal niet.

Laat ik proberen om los te komen van mijn primaire reactie, en het spoor volgen van het verhaal dat Jezus vertelt. Het gaat om iets wat tot op de dag van vandaag ruzies en conflicten kan veroorzaken: de verdeling van een erfenis. Families raken tot op het bot verdeeld, en verhoudingen grondig verstoord, vaak voor de rest van het leven. Jezus gaat er niet op in of ze die erfenis wel of niet moeten delen, hij kijkt naar het motief dat eraan ten grondslag ligt: en daarom vertelt hij het verhaal van een succesvolle boer, die steeds grotere schuren wil bouwen om z’n oogst in op te slaan. Het opmerkelijke van die parabel is dat de man zeven keer het woordje IK gebruikt, en dat z’n enige gesprekspartner hij zelf is.

Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn voorraden op te slaan. Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn graan en goederen kan opslaan, en dan zal ik tegen mezelf zeggen: Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren! Neem rust, eet, drink en vermaak je.

Geweldig toch! Hij heeft het voor elkaar, net als de man die in het boek Prediker aan het woord is, en voor zichzelf een paradijs op aarde gecreëerd heeft. Met eigen inspanning heeft hij alles gekregen wat z’n hart verlangde, maar als hij goed kijkt, ziet hij dat dat alles lucht is, en het najagen van wind. Het heeft geen enkel nut. En de rijke man in de parabel krijgt de horen: Dwaas, vannacht nog ga je dood, en wat heb je dan aan alles wat je verzameld hebt? Voor wie is de erfenis? Voor wie is het? En van wie is het eigenlijk?

En dan komen we bij wat volgens mij de kern van de zaak is: alles wat we hebben, hebben we gekregen, tot ons eigen lichaam, ons eigen leven aan toe. Dat zijn we niet gewend om zo te denken, we zijn gewend te denken in termen van eigendom. Mijn huis, mijn geld, mijn land, en dat mijn kan ook collectief worden: ons kèrk, ons volk. Nee, zegt Jezus: niets is van jou: je hebt het allemaal gekregen, je hebt het allemaal te leen. En pas als je dát beseft kun je zorgeloos leven. Want veel bezitten is veel te verliezen hebben, en veel te verliezen hebben, is leven met angst. Alleen wie niets te verliezen heeft, leeft in vrijheid.

De kern van hebzucht is dus angst. En angst kun je alleen maar overwinnen door vertrouwen – vertrouwen dat er voor je gezorgd wordt ook zónder de materiële zekerheid van de wieg tot het graf. Dat het niet gaat om hebben, maar om zijn. Zo iemand geniet van de kleine dingen van elke dag, en kijkt niet verder vooruit dan nodig is. Dan kun je leven in het hier en nu, en krijg je oog voor de lelies en de vogels: ze worden een voorbeeld voor ons mensen. De lezing eindigt met: Zoek eerst het Koninkrijk van God en die andere dingen krijg je er vanzelf bij.

Hoe dat koninkrijk van God eruit ziet, leren we uit het Onze Vader: niks of niemand boven God stellen leven alsof het koninkrijk er al is genoegen nemen met het dagelijks brood mensen een nieuwe kans geven En hoe je het ook wendt of keert: dat koninkrijk ziet er toch echt iets anders uit dan een wereld die gebaseerd is op concurrentie. Al in 1776 schreef Adam Smith dat als ieder nou maar opkwam voor zichzelf, dat er dan een onzichtbare hand zou zijn, die voor een eerlijke verdeling van alle rijkdommen zou zorgen. Nou, niet dus. Maar het kan anders. Ook in kloosters werd en wordt het bezit gezamenlijk gedeeld. Ze doen dat op grond van wat Lucas schrijft over de eerste christengemeenten:

Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde. Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk.

Kortom: de vraag is niet zozeer of je rijk mag zijn, alswel: wat dóe je met je rijkdom? Nog één voorbeeld, dat u vast wel kent: Franciscus van Assisi.

Giotto

Hij heeft afstand gedaan van het oude, en zal voortaan knecht zijn, in dienst van een andere Vader. In een beroemde fresco van Giotto zie je de scene op het marktplein afgebeeld, uit de hemel steekt een hand.

Voor Franciscus was het niet langer z'n geld, maar z'n geloof wat hem begeleidde, en de rest van z’n leven werd gekenmerkt door eenvoud. Hij leefde niet langer van geld en bezit maar van de macht van de liefde. Hij preekte tegen de vogels, omdat dieren dichter bij de schepper staan dan mensen.

Dat werd niet gewaardeerd, ook niet door de kerkelijke leiders, maar wél door de talloze navolgers - tot op de dag van vandaag - mensen die zich minderbroeders noemen, en die leven van goedheid, vertrouwen en genade. Het is ongetwijfeld hierom dat de huidige Paus de naam Franciscus gekozen heeft. Al deze voorbeelden houden ons een spiegel voor: wat doen wij met ónze erfenis, met al wat ons is toevertrouwd? Kunnen wij leven van goedheid, vertrouwen en genade?

Het was het leven zoals Jezus ons dat voorhield, vol vertrouwen dat de vader er in zou voorzien, elke dag weer, elk uur weer.

Lezen: Dt.30,9-14 en Lc. 10:25-37

Bij de opvoeding van je kind wordt er heel wat geleerd aan geboden en verboden: handjes wassen, met mes en vork eten, netjes een handje geven, een ander aankijken als je met hem praat, de poes niet aan z’n staart trekken. Deze regels en verboden worden allemaal opgeslagen in wat door Freud het super-ego wordt genoemd. Ze zijn vooral bedoeld om onze spontane neigingen de kop in te drukken. Want spontaan willen we juist al die dingen die niet mogen, of we willen juist niet wat moet. Annie M.G.Schmidt heeft daar ooit een prachtig gedicht over gemaakt: Ik ben lekker stout

Ik wil niet meer, ik wil niet meer!
Ik wil geen handjes geven!
Ik wil niet zeggen elke keer:
Jawel mevrouw, jawel meneer...
nee, nooit meer in m'n leven!
Ik hou m'n handen op m'n rug
en ik zeg lekker niks terug!

Ik wil geen vieze havermout,
ik wil geen tandjes poetsen!
Ik wil lekker knoeien met het zout,
ik wil niet aardig zijn, maar stout
en van de leuning roetsen
en schipbreuk spelen in de teil
en ik wil spugen op het zeil!

En heel hard stampen in een plas
en dan m'n tong uitsteken
en morsen op m'n nieuwe jas
en ik wil overmorgen pas
weer met twee woorden spreken!
En ik wil alles wat niet mag,
de hele dag, de hele dag!

En ik wil op de kanapee
met hele vuile schoenen
en ik wil aldoor gillen: nee!
En ik wil met de melkboer mee
en dan het paardje zoenen.
En dat is alles wat ik wil
en als ze kwaad zijn, zeg ik: Bil!

Welnu, een beetje overdreven zou je kunnen zeggen: de hele opvoeding is er op gericht om de eigen wil van het kind te breken en er een aangepast lid van de maatschappij van te maken. Maar dat ergens diep verborgen nog steeds die stoute impulsen zitten, dat blijkt bijvoorbeeld als je een uitje hebt met een stel volwassenen: dan komt er ook een soort schoolreisjessfeer bovendrijven: we zijn los! Gegiebel, gewaagde mopjes, net over de schreef, nét iets teveel drank, maar niet dronken worden, want het moet natuurlijk wel binnen de perken blijven.

Al deze regels zijn ervoor om het intermenselijk verkeer soepel te laten verlopen, net als verkeersregels. En met de regels en voorschriften in de Bijbel is het niet anders. Maar als we eerlijk zijn, dan zijn er een heleboel regeltjes waar wij helemaal geen boodschap meer aan hebben. Wij zoeken het tegenwoordig zelf wel uit, we zijn autonoom, stellen onszelf de wet. Er is niet één vaststaande set van waarheden en opvattingen meer. “Dat maak ik zelf wel uit” – hoor je dan. Dat geeft van de ene kant een grote vrijheid, maar veroorzaakt ook chaos en misverstand.

En wat moeten we dan met al die regels en voorschriften uit de Bijbel, waarvan ook Jezus zegt dat er geen tittel of jota aan veranderd mag worden? 613 zijn het er volgens de joodse uitleggers. Zoek ze maar eens op op Wikipedia, heel interessant. Maar interessanter dan wat er precies wel of niet mag, is om te kijken: wat drukken die regels nou uit? waar zijn ze op gebaseerd? wat is het doel ervan? En dan blijkt dat een heleboel regeltjes gewoon levenswijsheden zijn: door schade en schande wijs geworden, net als een kind dat zich brandt aan de kachel – die weet voortaan: ik moet geen hete kachel aanraken.

In de zaterdagbijlage van Trouw staat een mooie rubriek: Levenslessen. Degene die daar aan het woord is, formuleert de lessen die hij in de loop van z’n leven heeft geleerd. Al is het maar om te voorkomen dat hij zich net als een ezel twee keer aan dezelfde steen stoot. Je wordt daar wijs van – uiteindelijk, want het is een levenslange leerschool. En wie wijs is geworden, heeft geen uiterlijke regeltjes meer nodig: die weet van binnenuit wat goed is en wat niet, waar je verder mee komt, en waar je telkens op stuk loopt.

Daarom praten kinderen vaak zo graag met opa’s en oma’s, omdat ze daar vaak een doorleefde wijsheid vinden, en een diep begrip. Dát is wijsheid die met goedheid samen gaat, met vertrouwen, met geloof, en kijk: dan komen we in de buurt van wat de Bijbel bedoelt met: die geboden zijn niet ver weg, niet in de hemel of overzee, nee, ze zijn in uw eigen hart gelegd. De geboden zijn in diepste zin geen verkeersborden, maar aanwijzingen, levenswijsheid.

Als je dat kunt meegeven aan je kind dan sta je in de traditie – niet omdat het nu eenmaal zo hoort, maar omdat je er een gelukkig mens van wordt. En dan komen we nu uit bij het grote gebod, het dubbelgebod dat al die kleine regeltjes en voorschriften omvat, en er de oorsprong en het doel van uitmaakt: God liefhebben boven alles, en je naaste als jezelf.

Als je dat doet, zul je leven, zegt Jezus tegen de wetgeleerde, Leven zoals het bedoeld is, in het beloofde land, eeuwig leven. Dat weet die schriftgeleerde natuurlijk heel goed, maar hij had de vraag gesteld om Jezus op de proef te stellen, om te kijken wat de man zou antwoorden die zo vrij omging bijvoorbeeld met het sabbatsgebod: mag je genezen op sabbat, mag je aren plukken op sabbat. En daarom wil die schriftgeleerde zich rechtvaardigen. en hij vraagt: wie is mijn naaste? Hij wil een definitie, zodat hij precies weet waar hij zich wel of niet aan moet houden.

Maar Jezus gaat geen theorie ophangen, nee, hij vertelt een verhaal, het verhaal dat wij kennen als de Barmhartige Samaritaan. En in dat verhaal gebeurt wat tot op de dag gebeurt: mensen die aan hun lot worden overgelaten, die zichzelf niet kunnen redden, en afhankelijk zijn van iemand die op hun pad komt.

En niet de priester doet iets, en ook niet de leviet: volksgenoten, die de wet toch kennen, ja, hem misschien zelfs wel heel strikt toepassen: want je mag je niet verontreinigen, en die man die aan de kant van de weg lag was misschien wel dood, en een lijk aanraken, dat mocht niet, dan werd je onrein. Nee, dan is daar de vreemdeling, de Samaritaan. Samaritanen leefden in onmin met de joden, erkenden niet Jeruzalem als stad waar God aanbeden moest worden. En juist die wordt door medelijden bewogen en verzorgt het slachtoffer. Door medelijden bewogen – dat is het kenmerk bij uitstek van de Eeuwige. En we mogen het daarom ook omkeren: overal waar mensen door medelijden worden bewogen zien wij de Eeuwige aan het werk.

Daarom moeten we God liefhebben boven alles. In de naaste laat God zich zien, meer dan in alles wat wíj tot god maken, of liever gezegd: tot afgod. En ook regeltjes kunnen afgoden worden. Vandaar dat Jezus de vraag van de schriftgeleerde omdraait: Wie is mijn naaste – had hij gevraagd. Nee, niet de ander is je naaste, zelfs niet de hulpbehoevende, maar het is degene die zich over jou ontfermt: en in wie je Gods eigen liefde herkent.

En daarmee komen we op het derde en moeilijkste deel van het gebod: jezelf liefhebben. Want er zit veel onvrede in ons – omdat we niet voldoen aan de eisen die anderen aan ons stellen, maar vooral omdat we niet voldoen aan de eisen die wij aan onszelf stellen: altijd is er iemand die over onze schouders meekijkt, die ons beoordeelt, of we het wel goed doen.

Dat zijn allemaal regeltjes die ergens in de loop van ons leven in onze hersenpan zijn opgeslagen, en die nu als een soort inwendige politie-agent zeggen wat we wel en niet mogen doen. Maar de enige regel is:

God liefhebben boven alles, en je naaste als jezelf.

Met mededogen kijken naar de ander, want hij is als jij. Met mededogen naar jezelf kijken, want je bent als je naaste. Die drie, liefde tot God, jezelf en de naaste, dat gaat allemaal gelijk op. Er is eigenlijk maar één regel, en de grote Augustinus drukte dat heel mooi uit:

Heb lief, en doe wat je wil.

Hij zegt dat in een preek over de eerste Johannesbrief. En hij vervolgt: “zwijgt ge, zwijg dan uit liefde; spreekt ge, spreek dan uit liefde; verbetert ge, verbeter dan uit liefde; vergeeft ge, vergeef dan uit liefde; dat de bron van de liefde in u zij, want uit die bron kan niets anders voortkomen dan het goede”.

Wie door de liefde geleid wordt, wie de liefde ten volle beleeft, wordt door God geleid, want God is liefde.